V.Z.W. Projecten Broeders van Liefde
| ![]() |
|
|||||||||
|
|
Petrus-Jozef Triest, historisch bekeken...
De congregatie van de Broeders van Liefde werd in 1807 gesticht door kanunnik Petrus-Jozef Triest. Deze priester onderscheidde zich door een onbeperkte naastenliefde. Vooral na de Franse omwenteling boden onze gewesten een hartverscheurend toneel van armoede en lijden. Ontelbaar waren de noodlijdenden. Bovendien waren de liefdadige instellingen die hen normaal hulp boden, door de Sansculotten ontbonden en leeggeroofd. Vlaanderen, in de middeleeuwen zo rijk en beroemd, was vrijwel in de diepste onvrede gevallen op de vooravond van onze Moderne Tijden. Men sprak van laïcisatie en secularisatie, van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Petrus-Jozef Triest werd te Brussel geboren op 31 augustus 1760, als negende uit een gezin van veertien kinderen. Hij ging naar verschillende scholen; eerst de Paters Jezuieten (In 1773 werd onder druk van de overheersers de Jezuietenorde opgegeven en daarmee verdween ook het Sint-Michielscollege) en later de vermaarde Latijnse school te Geel. In 1780 eindigde hij er zijn studies. Ongetwijfeld moet zijn verblijf in Geel op de jonge Petrus-Jozef Triest een diepe indruk nagelaten hebben. Hij maakte er van dichtbij kennis met de huisverpleging van geestesgestoorden. In 1780 vatte Triest universiteitsstudies aan te Leuven. Twee jaar later had hij zijn cursus in de wijsbegeerte voltooid. Samen met zijn jongere broer zou hij in het Grootseminarie van Mechelen zijn weg naar het priesterschap voortzetten. En op 16 juni 1786 ontving hij de zo lang verwachte priesterwijding. Het was geen rustige tijd die de jonge Triest beleefde. Van 1786 tot 1797 bekleedde Triest verscheidene functies. Eerst was hij de hulp van de oude en ziekelijke pastoor van Asse. En na zijn dood werd hij coadjutor (= helpende of vervangende priester) in een kleine Mechelse parochie. Na deelname aan een bischoppelijk examen werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Pietersparochie te Ronse. De jaren die Petrus-Jozef Triest in Ronse doorbracht waren wel de zes somberste. Hij moest zijn apostolaat in de clandestiniteit uitoefenen en zag verscheidene andere collega's verbannen. Ook hij werd onverpoosd opgejaagd en gezocht. De reden hiervan was dat Triest trouw bleef aan Rome en niet aan het nieuwe bewind van Napoleon. Het was in die periode dat hij een daad zou verrichten die een ruime weerklank zou vinden bij het gelovig volk. Hij bracht de laatste sacramenten naar de stervende echtgenote van het hoofd van de gendarmen die met zijn opsporing belast was. In 1803 wanneer godsdienstplechtigheden weer openlijk konden plaats vinden, werd Petrus-Jozef Triest overgeplaatst naar de Sint-Martinusparochie in Ronse. Spoedig had hij moeilijkheden met de ongelovige burgemeester omdat hij organiek artikel 54 (= een huwelijk moet eerst burgerlijk voltrokken worden vooraleer het kerkelijk kon ingezegend worden.) zou overtreden hebben. Om de burgemeester te paaien zond de bisschop een nieuwe pastoor naar Ronse en werd Triest naar Lovendegem overgeplaatst. Hetzelfde jaar, in 1803 stichtte hij daar zijn eerste congregatie de Zusters van Liefde. Deze stichting was geen toeval. Reeds kort na zijn priesterwijding heeft Triest godwillige vrouwen aangesproken om met hem de noden van velen te lenigen. In Ronse droeg hij hen de zorg op over een weeshuis. Wellicht lag het oorspronkelijk niet in zijn bedoeling in Lovendegem een kloostercongregatie te vormen maar wel een vereniging zoals hij al in Ronse vestigde. De congregatie werd op 4 november 1803 door Monseigneur Fallot de Beaumond goedgekeurd en opgericht. Met zijn jonge stichting had Triest geluk want de oude abdij: Ter Haegen in Gent werd meteen het moederklooster en zes zusters zouden er instaan voor behoeftige en ongeneeslijke vrouwen. Na deze jongste creatie volgde de ene benoeming de andere op. Hij werd door de bisschop aangesteld tot Algemeen Overste voor het leven van de congregatie van de Zusters van Liefde. Ook werd hij verheven tot ere-kanunnik van Sint-Baafs. Hij werd directeur benoemd van de Bijloke en van de Twaalf Kleine Gestichten, inrichtingen waar bejaarden gehuisvest waren, een groot woord voor de schrijnende en ellendige toestanden die er heersten. Petrus-Jozef Triest stak de handen uit de mouwen en liet door de Godshuizencommissie een plan goedkeuren voor een nieuwe stichting. Amper twee dagen later op 28 december 1807 beantwoordden drie jonge mensen aan de oproep van Kanunnik Triest. Het ontstaan van de Zusters van Liefde was vlot gegaan, de nieuwe congregatie (nl. de Broeders van Liefde) van Triest werd niet onmiddellijk een meevaller ![]() PETRUS-JOZEF TRIEST GROEIDE OP TIJDENS TROEBELE POLITIEKE TIJDEN (1760-1785)Triest groeide op in troebele en beroerde politieke tijden. Gedurende zijn studie werden onze gewesten bestuurd door Oostenrijk. De bemoeizieke Keizer Jozef II bezorgde de katholieke godsdienst veel last. Verschillende ordens werden opgegeven, (de meeste tijdelijk) zoals de Jezuieten-orde. Toen hij later verder studeerde aan het Grootseminarie van Mechelen besloot Keizer Jozef II dat deze seminaries moesten afgeschaft worden en vervangen worden door een algemeen seminarie. In 1790 verklaarden de Verenigde Belgische Staten zich onafhankelijk, maar de vreugde om de vrijheid zou niet lang duren want het volgende jaar hadden de Oostenrijkers het roer opnieuw in handen. Einde 1792 werden ze door de Fransen verjaagd. Het bleek spoedig dat de Franse overheersing geen verbetering was en dat de Fransen nog onverdraagzamer werden voor alles wat godsdienst betrof. Vanaf 1797 werd er jacht gemaakt op priesters die de voorgeschreven eed van trouw aan de republiek niet hadden afgelegd. Ook Triest stond dus op de lijst van de vogelvrijverklaarden want trouw aan paus Pius VI weigerde ook hij zich aan dit goddeloze gezag te onderwerpen. Het zou tot 1802 duren vooraleer er enige verbetering intrad, toen Napoleon het concordaat afsloot met Pius VII. Er werden in onze gewesten Franse bisschoppen aangesteld, trouw aan de republiek. Napoleon voegde ook nog de zogenaamde Organieke Artikelen aan het concordaat toe. Het was door Organiek Artikel 54 dat Triest naar Lovendegem overgeplaatst werd. In 1815 werd in het Congres van Wenen Europa opnieuw ingedeeld: België en Nederland werden tot het Koninkrijk der Nederlanden en Willem I werd tot koning aangesteld. Het ging een zekere tijd goed maar daarna kwam er onenigheid tussen het protestantse Noorden en het katholieke Zuiden waar vooral de Walen zich begonnen te roeren. In 1830 werd de Belgische Onafhankelijkheid bevochten. ![]() Het gedurfd besluit van TriestDe eerste drie volgelingen van Triest vormden nog een speciale groep. Het waren eenvoudige volksjongens met meer enthousiasme en goede wil dan kennis en geschooldheid. Men kan moeilijk van hen zeggen dat zij intraden, zij werden om het met een typerend woord uit te drukken geparachuteerd in een midden waarvan zij het bestaan nauwelijks kenden, een brok ellende verloren in een hoek van de groot-stad waar zij met inzet van hun beste krachten op resultaat hoopten. Bij de aanstelling op 29 december 1807, waar de drie kandidaten met enige plechtigheid de sleutels ontvingen, werd aan de oude-mannen opgelegd de drie jongelingen met de titel Broeder aan te spreken. De naam Broeders van Liefde is niet van Kanunnik Triest maar van de volksmond afkomstig. Triest noemde zijn volgelingen: Broeders Hospitalieren van Sint-Vincentius. De drie jonge mannen stelden orde op zaken in financiën maar ook bij de verzorging verliep alles al heel wat vlotter. Een kwartier van de Bijloke, meer stadinwaarts lag het oude Alexianenklooster. Na de uitdrijving van de Cellebroers in 1798 was het gebouw als gevangenis voor wanbetalers en verblijf voor gevaarlijke krankzinnigen in gebruik genomen. Ook daar heersten mistoestanden die dringend om verbetering vroegen. Er namen zes broeders hun intrek bij de Alexianen. Maar de jonge onervaren broeders waren niet tegen hun taak opgewassen en het werd een bedroevend avontuur. Het gevolg daarvan was, dat verschillende broeders de Vereniging verlieten. Later veranderde de situatie in positieve zin. ![]() Een aarzelende startIn 1809 zou het tij keren, nieuwe jongemannen deden hun intrede en begonnen onmiddellijk met de reorganisatie van het bejaardentehuis. Op aandringen van Triest werd door de Godshuizencommissie een geschreven conventie goedgekeurd (29 juli 1807), dat jarenlang geldig is gebleven en de condities bepaalde waaronder de Broeders van Liefde hun charitatieve arbeid in de Bijloke uitoefenden. Met de rust keerde ook de kloostersfeer in de Bijloke terug, zodat er nood kwam aan een kloosterregel. Een andere reden was dat de Bijloke moest erkend worden als kanonieke kloosterinstelling, zoniet was het tot verdwijnen gedoemd. Samen met kanunnik Goethals stelde Triest zijn kloosterregel op en bood deze dan de bisschop aan, dit ter goedkeuring. De inkleding, een voorlopige intreding in het klooster, kon nu plaatsvinden. Op 16 november 1809 werden de eerste zeven broeders geprofest. Er werden hun zes vragen gesteld die betrekking hadden op de gehoorzaamheid, het doel van de vereniging, zuiverheid en armoede. Jammer werd de jonge kloosterorde weer eens op de proef gesteld. De overste van de Bijloke, broeder Jozef die heel veel had gedaan voor de reorganisatie van dit huis, kon het maar niet gewoon worden en verliet dan ook het gezelschap. Derde keer, goede keerOp 21 november 1810 werd er een nieuwe novice geprofest. Simon De Noter werd tot Broeder Bernardus geprofest. Aan zijn later vaderlijke leiding was de opgang naar een echt kloosterleven wel toevertrouwd. Vader Bernard, want zo werd hij genoemd, toetste de kloosterregel aan de praktijk en paste deze zo nodig enigszins aan. De definitieve start van de congregatie van de Broeders van LiefdeZo stond in 1811 een klein genootschap klaar, een jonge religieuze stichting, bereid het werk op te nemen dat zich zou aanbieden voor de dienst van aerme en ellendige menshen. Lang hoefde Vader Bernard en zijn Broeders niet te wachten: armoede en ellende was er genoeg. Nu verliep alles zeer vlot met de jonge stichting, naast het bejaardentehuis in Gent kregen ze er ook het Alexianenklooster met psychische patiënten toevertrouwd. Maar niet alleen Gent, ook de omstreken van Gent riepen de hulp en steun van de broeders in. Het onderwijs in die dagen liet ook veel te wensen over. Een grote regeringsinmenging inzake onderwijs werd vooral in België sterk aangevoeld. Daarom besloot Vader Bernard om enkele broeders te laten studeren aan de Normaalschool van Lier. De eerste armenschool van de Broeders van Liefde werd opgericht te Brugge. Vier broeders namen hun intrek in een huisje dat uitzag op het Onze Lieve Vrouwenkerkhof. De school in Brugge kende een grote bloei, na het eerste jaar van haar bestaan telde ze al 300 leerlingen. Na Brugge werd er ook nog een basisschool opgericht in Froidment. Als een aparte tak van de opvoeding van kinderen werd er ook aan doofstomme kinderen gedacht. Vier broeders werden naar Groningen gestuurd om zich te bekwamen in het dovenonderricht. Na twee jaar studie keerden ze terug naar Gent en richtten er een dovenschool op, dit in een deel van de gebouwen van de oude Bijloke-abdij. Deze school, gesticht in 1825 kreeg in 1829, de titel van: Koninklijk Instituut voor doven en gehoorgestoorden en vestigde zich sedert 1958 in Gentbrugge. In de eerste plaats werd er dus gezorgd voor het onderricht van het volkskind. Einde 1831 waren er al een drietal verzoeken (later zouden er meerdere volgen) om scholen en broeders. Veelal moesten de broeders in de beginperiode in hun eigen onderhoud voorzien door geldcollectes bij de rijkere burgerij. Naast het verschaffen van basisonderwijs namen de broeders ook de zorg voor armlastige wezen (=kinderen die door hun ouders niet konden verzorgd worden omdat de ouders te arm waren) op zich. Het wezenprobleem was een groot vraagstuk waarmee ook de regering worstelde. De zorg voor armlastige wezen was een ernstig sociaal probleem in de vorige eeuw. Het aantal kinderen dat op jeugdige leeftijd vader, moeder of beiden verloor was groot onder de pauperklasse, waar overmatig werk bij onvoldoende voeding, ondermijnend drankmisbruik bij onhygiënische huisvesting hun slachtoffers maakten onder de arbeidende mannen en vrouwen. Wat met de achterblijvende jongens en meisjes gedaan? Ze overlaten aan hun berooide en vaak lang niet onbaatzuchtige familieleden was niet verantwoord. In verschillende steden kregen de broeders een huis toevertrouwd zodat ze de zorg voor deze kinderen op zich konden nemen. In 1835, één jaar voor zijn overlijden, stichtte Triest de Zusters Kindsheid Jesu. Deze congregatie richtte zich specifiek naar de wezen. Op 26 oktober 1832 stierf Vader Bernardus en werd broeder Aloysius tot nieuwe Overste over de broeders gekozen. Al ging de eerste kwarteeuw van Vader Aloysius bestuur de aandacht intensief uit naar het werk bij de jeugd, toch werd daarom de verpleging niet vergeten. Het valt eerder op hoe meerdere communiteiten zowel het één als het ander liefdewerk beoefenen. De broeders gingen les geven en daarnaast in hun vrije uren zorgden ze ook voor bejaarden. De broeders sprongen elkaar wederkerig bij Ook aan verpleging van zenuwzieke patiënten werd gedacht. Voor hen richtte Vader Triest samen met Dr. Jozef Guislain het Guislaininstituut te Gent op. De broeders beschikten over huizen in het ganse land. Later werd de congregatie verspreid over de ganse wereld. Het werd een congregatie van pauselijk recht. |
||||||||