V.Z.W. Projecten Broeders van Liefde
| ![]() |
|
|||||||||
|
|
Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor verbroedert met Roma's uit Slowakije
Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor: Verbroedering met de Roma's uit de kolonies van de dorpen Varhanovce, Kecerovce, Mirkovce en Suinia en met de Roma's uit Lunik 9 en Zdoba (Kosice) en met de Roma's uit Tehelna en Potradkom (Presov). De laatste drie jaar hebben we in Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor een dertigtal Roma families te gast gehad. Deze mensen komen in ons sociaal eethuis soms eten, deze mensen verbleven voor korte of langere tijd in ons gemeenschapshuis Tabor, deze mensen kwamen naar onze acute nachtopvang omdat ze voor zichzelf en voor hun kinderen een bed zochten.
Omdat we de laatste maanden in Gent geconfronteerd worden met families in onze straten, met uitgehongerde kinderen zonder dak boven hun hoofd, besloten wij vanuit het team van Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor om zelf te gaan kijken naar Slowakije. Waarom kiezen deze Romamensen een leven in onze straten boven het leven in hun eigen land, waarom gaan zij letterlijk op de vlucht? Op 30 maart vertrokken wij richting Presov (Oost-Slowakije). ![]() ![]()
Ons relaas kan je hier lezen, samen met ons fotomateriaal. Het zal een verhaal worden van een ingeworteld rascisme waar de Roma's de duppe van worden, een racisme waar mensen letterlijk verdrukt worden binnen de Europese Unie. Een racisme dat zowel maatschappelijk als kerkelijk zichtbaar wordt in Slowakije. De Roma's in Oost Slowakije hebben dringend nood aan een figuur als Daens. Wij zijn ervan overtuigd dat hun situatie vandaag even vreselijk is. Vanuit Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor willen wij duidelijk stelling in nemen tegen dit ingeworteld racisme. Wij willen duidelijk stelling in nemen voor de Roma mensen en samen met hen blijven op pad gaan. Zoals Petrus-Jozef Triest 200 jaar geleden het opnam voor de psychiatrische patiënten en de mentaalgehandicapten en armen uit Gent, willen wij het vandaag doen voor de armen uit Gent, dus ook voor de Roma's die in onze straten verhongeren. Voor hen willen wij een stem zijn, hen willen wij in de mate van het mogelijke een thuis bieden... Werner Van de Weghe
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() Ons getuigend dossier: ' Roma onder de Roma's' Inleiding De laatste drie jaar hebben we in Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor een dertigtal Romafamilies te gast gehad. Deze mensen komen in ons sociaal eethuis soms eten; deze mensen verbleven voor korte of langer tijd in ons Gemeenschapshuis Tabor; deze mensen kwamen naar onze acute nachtopvang omdat ze voor zichzelf en voor hun kinderen een bed zochten. Met andere woorden deze Roma’s waren ‘thuis’ in Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor. Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor is gegroeid uit de communiteit Heilige Engelen verbonden aan het Dr. Guislainziekenhuis. Dagelijks kwamen daklozen en armen aan de deur van de gemeenschap kloppen, vragend om geld en eten. Maar misschien zochten ze iets meer? Een stoel om even op te rusten, een tafel om de voeten onder te schuiven, een medemens die tijd maakt om naar hen te luisteren. Broeder Godfried Bekaert en Broeder Clariet Lippens waren getroffen door deze nieuwe noden en starten vanuit de congregatie met de oprichting van Huize Triest. Het huis opende officiëel zijn deuren in september 1986. In diezelfde geest staat de deur van Huize Triest open van 9u tot 16u30. Het sociaal eethuis is open van 9u tot 14u. Van 14u tot 16u30 bieden we in ons namiddagconcept ontspannende activiteiten aan. Een koffiehuis waar iedereen welkom is. Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor wordt gedragen door broeders, aangesloten leden en vele vrijwillig helpende handen. Broeder Godfried Bekaert werd regionale overste over de Indische regio en Werner Van de Weghe, aangesloten lid bij de Broeders van Liefde (Sint-Vincentius regio), gehuwd en vader van vier kinderen, volgde hem op als coördinator van Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor. Sinds 22 september 1986 kunnen we dankzij vele vrijwillige helpende handen onze deur letterlijk en figuurlijk openstellen. Naastenliefde is meer dan geven aan de ander. Hier biedt de leefregel van de Congregatie ons een richting aan: Je enige bezit is de Heer, die voortdurend om bekering vraagt. “Wanneer je jezelf arm maakt door je te geven, zal de rijkdom van Christus je aandeel worden, een schat die niemand je ontneemt.” Op 18 december 2004 werd Huize Triest geherstructureerd en kreeg de naam Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor. Vanuit een authentiek en eerlijk antwoord op de volgende vragen: "Wat zijn de noden van vandaag?” en “Wat kunnen wij als vrijwilligersploeg aan?", werd de huidige werking op de kaart gezet. In alles wat we “doen” in Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor ligt de nadruk op “zijn”. We richten ons naar alle mensen zonder onderscheid. Iedereen is binnen onze jaarlijkse afgesproken structuur welkom. Wie mogen wij nu zo verwelkomen in Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor?
Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor: over diversiteit gesproken…, een realistisch signaal om verzuring en racisme tegen te gaan aan de basis…
"Ik ben Krista, toen ik 20 was ging ik samenwonen, na twee jaar stuurde hij mij wandelen, nu sta ik er alleen voor. Mijn kindje Sofie wordt morgen vier jaar, maar ik zie haar weinig, ze is geplaatst." "Ik ben Luc, 32 jaar, ik had een eigen bedrijf opgestart. Ik was slager van beroep, maar mijn zaak ging teloor toen mijn vrouw mij verliet. Nauwelijks besef ik nog dat ik leef. Weinig mensen kijken nog naar mij. Ik leerde leven met weinig geld, weinig voeding en gekregen kleding. Ik ben nu dakloos, mis liefde en genegenheid. Vaak stel ik me de vraag, waarom leef ik nog? Waaraan heb ik dat verdiend?" "Mijn naam is Vincent, ik was een slechte vader, zeggen ze, juist zoals mijn eigen vader die dronk. Nu ben ik drie jaar op de sukkel. Ik doorkruiste vele wegen: drie maanden gevangenis, zes maanden psychiatrie, verschillende onthaaltehuizen, en nu sta ik terug op straat. Waarom heeft het leven nog zin?" " Ik ben Louis, 63 jaar, wonende in de Bloemekenswijk te Gent, de muren in mijn studio komen op mij af, ik ben eenzaam, niemand kijkt nog naar mij om, mag ik tijdens jullie namiddagactiviteiten in Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor verblijven. Het doet me goed om samen met anderen de namiddag door te brengen." " Ik ben Lucas, 39 jaar, ik woon in Aalter, ik heb kanker en neem morfine, al mijn geld gaat naar medicatie, ik kan niet meer koken voor mezelf, mag ik in jullie sociaal eethuis komen eten, ik ben bang alleen, bang voor wat komen gaat..." "Ik ben Guido, 57 jaar, het enige wat ik heb is mijn hond, ik weet dat ik niet binnen kan met hem in jullie sociaal eethuis, mag ik wel om wat voeding komen, ik sta er alleen voor, mag ik toch een beetje bij jullie thuis komen..." “My name is Margreth, ik kom uit Gana, ik ben reeds twaalf jaar in Belgïe en ik ben nog steeds illegaal. Ik miste de regularisatie omdat de mensen die mij omringden me er niets van vertelden. Toen ik 18 was vluchtte ik weg uit mijn land. Mijn papa betaalde iemand om mij naar Europa over te brengen, de dag nadien werd hij vermoord. Ik kwam in Brussel aan samen met een vrouw die zei dat ik hier enkele weken moest wachten. Ik zag haar nooit meer terug. Ik kwam terecht in één of ander netwerk. Ik ben nu 30 jaar en ik heb een zoontje van 6 maanden, ik ben dakloos en nog steeds zonder papieren, ik weet niet waarin of waaruit, mijn Nederlands is ook nog zo slecht. Please Brother, Please Papa will you help me.”
Op 18 december 2004 trokken Rudolf Nemet en Alena Nemetova samen met hun vier kinderen Alena, Maria, Pavel en Jozef in het Gemeenschapshuis Tabor. Zij waren het eerste gezin binnen onze werking. Met nieuwjaar 2007 verhuisden zij richting Brugsepoort in Gent. Het doet ons goed te zien dat zij nu echt op eigen benen staan. Vanuit Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor kiezen we duidelijk voor de allerarmsten eerst. Zij krijgen de kans om bij ons ‘thuis’ te zijn, om een menswaardig bestaan te leiden. Ondertussen hebben er in het begeleid wonen van Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor ongeveer 80 verschillende personen gewoond voor korte of langere periode. Rudolf, Alena, Alena, Maria, Pavel en kleine Jozef, dat het jullie goed mag gaan.
Schreeuw vanuit Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor… 19/03/2007 Aan alle mensen van goede wil, Vanuit Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor zijn wij heel dringend op zoek naar onderdak voor een familie met zes kinderen. Op dit ogenblik zijn deze kinderen bijna allemaal ziek, onderkoeld en dakloos. Ze verblijven in een toestand die niet lang meer vol te houden is. Aangezien ikzelf volgende vrijdag 30/03/2007 voor enkele dagen naar Slowakije vertrek, moet ik nog een oplossing vinden voor dit gezin. Voor korte of langere periode, maakt niet uit. Een kamer, een garage die droog is, een plaats waar deze mensen tot rust kunnen komen. We kunnen ze toch niet met hun zes kinderen op straat laten overnachten? Gemeenschapshuis Tabor binnen Huize Triest zit nu reeds overvol. Ik ben radeloos en vertaal hun schreeuw naar ieder die het horen wil. Eigenlijk heb ik het recht niet om radeloos te zijn als ik bedenk hoe die papa en mama zich moeten voelen tegenover hun onderkoelde, zieke en uitgehongerde kinderen... Wie kan ons helpen? Wie hoort hun schreeuw? Wie ziet Zijn aangezicht? 2000 jaar geleden was er geen plaats in de herberg voor een hoogzwangere moeder, 200 jaar geleden zwierven de kinderen op straat in Gent en werden de psychiatrisch patiënten opgesloten in de kerkers van het Gerard Duivelsteen. Petrus-Jozef Triest zorgde samen met zijn Broeders en Zusters voor hen die nergens meetelden, in navolging van de Levende. Vandaag is de realiteit anders, maar even schrijnend. Ook wij zijn vandaag op zoek naar vrijwilligers om kinderen die op straat leven een bed te bezorgen, om uitgehongerde kinderen eten te geven, om hen te onderwijzen,... Het is wel geen 2000 of 200 jaar geleden, het is Gent, vandaag, 2007! 15/04/07 Onze dank aan ....Al diegenen binnen de congregatie van de Broeders van Liefde die ons hielpen de voorbije 12 dagen om dit gezin onderdak te verlenen.... Deze mensen het wisten te waarderen, aanvaard zijn als mens, onderdak krijgen, aandacht krijgen, een menswaardig bestaan, dat en nog veel meer heeft soms wonderen verricht.... In Gent zijn er mensen van goede wil die onze schreeuw beantwoorden!! Omdat we de laatste maanden in Gent geconfronteerd worden met families in onze straten, met uitgehongerde kinderen zonder dak boven hun hoofd, besloten wij vanuit het team van Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor om zelf te gaan kijken naar Oost - Slowakije. Waarom verkiezen deze Romamensen een leven in onze straten, dakloos, boven het leven in hun eigen land, waarom gaan zij letterlijk op de vlucht? Op 30 maart 2007 vertrokken wij richting Presov (Oost-Slowakije). Ons reisverhaal is een verhaal geworden van ingeworteld racisme waar de Roma’s de dupe van zijn, een racisme waar mensen letterlijk verdrukt worden binnen de Europese Unie. Een racisme dat zowel maatschappelijk als kerkelijk zichtbaar wordt in Slowakije. De Roma’s in Oost - Slowakije hebben dringend nood aan een figuur als priester Daens. Wij zijn er van overtuigd dat hun situatie vandaag even vreselijk is als die ten tijde van priester Daens in Aalst. Vanuit Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor willen wij duidelijk stelling nemen voor de Romamensen en samen met hen blijven op pad gaan. Zoals Petrus – Jozef Triest 200 jaar geleden het opnam voor de psychiatrische patiënten en de mentaal gehandicapten en armen uit Gent, willen wij het vandaag doen voor de armen uit Gent, dus ook voor de Roma’s die in onze straten verhongeren. Voor hen willen wij een stem zijn; hen willen wij in de mate van het mogelijke een thuis bieden… Ons reisverhaal… Ingeworteld racisme Verzuring en racisme met de genen meegegeven Tijdens mijn busavontuur mocht ik ook ondervinden dat niemand protesteerde en deze georkestreerde onrechtvaardigheid zomaar onderging. Integendeel toen ik op de bus wou protesteren, kreeg ik de boodschap “niet doen”, Roma’s worden soms van de bus gezet. We bijten wel op onze tanden. Dus ik onderging alles, samen met hen, als een Roma onder de Roma’s. Iedere Slowaak die werkloos is, heeft recht op een maandelijks minimum inkomen. 6000 Kronen of een kleine 180 Euro. Niemand zegt er bij dat de blanke Slowaken nog premies kunnen krijgen, premies waar geen enkele Roma recht op heeft. Ik mocht een sociale dienst bezoeken, gefinancierd met Europees geld. De blanke sociaal assistent toonde me heel fier het hygiënisch centrum, vier mooie douchecellen en drie elektrische wasmachines (trouwens de enige die ik ginder zag). Het lag daar kraaknet, en ik feliciteerde hem. Later bleek dat dit centrum eigenlijk weinig tot niet gebruikt werd door de Roma’s uit het dorp. Het bleek dat je met de kostprijs voor het nemen van één douche een week kon overleven. Iedereen deed enorm zijn best, zowel blanke mensen als sommige Roma’s om de extreme armoede voor mij te verbergen. Men begreep maar niet waarom ik in de echte armen interesse had. In een ander dorpje bezocht ik terug een sociale dienst, ook gefinancierd met Europees geld, vijf sociale assistenten, waaronder drie Roma’s. Eindelijk dacht ik. De drie Roma’s samen verdienden minder dan één blanke assistent. Uit het gesprek met de blanke leidinggevende kon ik verstaan, dat hij zelf niet wenste te praten met Romamensen. Hoe kan je nu in godsnaam Romamensen helpen indien je met hen niet wenst te praten, en dit met Europees geld? Ik bezocht een school, de blanke directie vertelde me heel fier dat zij er toch in geslaagd was om per leerjaar twee klassen in te richten. Ze zei letterlijk één voor de blanken en één voor de Roma’s. Officieel is het per niveau, één voor de sterke kinderen en één voor de minder begaafde leerlingen. In een ander dorp waren er twee scholen, één voor de blanke en één voor de Roma’s. Het ging om een gewone lagere school en een bijzondere lagere school. Alle Roma’s werden automatisch, door hun Roma – zijn, in het bijzonder onderwijs geplaatst. Officieel dus een gewoon onderwijs en een bijzonder onderwijs voor mentaal gehandicapte kinderen. In de realiteit een blanke school en een Romaschool. Er is geen bovenbouw op een speciale school. Dus Roma’s zijn automatisch uitgesloten voor hoger onderwijs door hun Roma–zijn. Geen diploma, geen kans op werk, geen toekomst, uitzichtloos… Ik ontmoette een jonge Roma-man. Hij woonde in een iets beter huis dan de rest van de kolonie. Vroeger werkte hij als enige Roma binnen zijn dorp aan de gemeente. Ik kon met hem goed in het Engels praten. Eindelijk iemand die min of meer geschoold was. Een gemeente van 1600 mensen. 300 blanken en een kolonie van 1300 Roma’s. De blanken wonen in paleizen in het dorp, dan heb je onderaan de berg een kerk en op de berg een kolonie van 1300 Roma’s. Die jonge man verloor zijn werk aan de gemeente omdat hij bij de laatste verkiezingen opkwam bij een partij die Romagezind is. Hij had 15 stemmen minder dan de blanke burgemeester. Raar? Wat de meerderheid is duidelijk Roma. Zijn enige fout was zich verkiesbaar stellen met als resultaat het verliezen van zijn baan. En dit in democratisch Europa? Tussen haakjes even vermelden dat je in Oost–Slowakije in elke straat wel een vlag van de Europese Unie vindt. Romamensen ondergaan gelaten hun lot; zij zijn bijna altijd ongeschoold en kunnen hun eigen situatie dan ook moeilijk veranderen; velen onder hen gaan dan ook niet naar de stembus. Iedere Slowaak heeft recht op gezondheidszorg, indien hij verzekerd is. Tijdens de twaalf dagen dat ik tussen de Roma’s verbleef heb ik samen met hen 11 maal de dokter of de spoedafdeling bezocht. Ik merkte op dat het ging om één ziekenhuis maar met twee ingangen. In de realiteit terug ééntje voor de blanken en eentje voor de Roma’s. Ik heb niet gezien hoe het eraan toeging bij de blanken, maar in het Roma-luik van het hospitaal zou ikzelf nooit als patiënt willen terecht komen. Over steriliteit moeten we zeker niet spreken, de hygiëne was er erbarmelijk. Op een zeker ogenblik heb ik een kind van ongeveer drie jaar uit het slijk gehaald, vol met wonden en schurft. Met de taxi naar het ziekenhuis op mijn kosten. Behandeling werd geweigerd met als reden: “Geen verzekering”. Mijn visa kaart en geld mochten niet helpen. Twee geneesheren bleven weigeren, de derde zag mijn visa kaart en verzorgde de kleine Simone. Haar wonden en ontstekingen ter hoogte van haar geslachtsorganen waren zo groot dat je op het eerste zicht moeilijk kon zien of het een meisje of jongen was. Ik wist echt niet wat me overkwam, en dit in Europa. Dit was zo vreselijk dat ik het moeilijk heb om dit neer te schrijven. Officieel wel, maar in de realiteit geen recht op degelijke gezondheidszorg, geen recht op goed onderwijs, geen recht op degelijk werk, geen recht op zich te verenigen, geen recht op een menswaardig leven, geen recht om een huis te bouwen, geen recht om een stukje grond te kopen, geen recht om volwaardig te participeren binnen een geloofsgemeenschap. De familie waar ik verbleef, leefde in een twee-kamers woning. We sliepen er met tientallen mensen. Maar officieel verbleven er 50. De kinderen die ondertussen zelf heel veel kinderen hebben, hadden zelf hoger op de berg een huisje gebouwd (ik bedoel een hutje of hok). Hier konden ze geen papieren van krijgen; meer dan de helft van de Roma kolonie leeft in huizen die officieel niet bestaan. Zwart gezet. Met als reden niet alleen geen geld voor de papieren, maar niemand wil grond verkopen aan Roma’s, ook al wordt deze grond door niemand anders gebruikt. Geen blanke die er aan denkt tussen hen te gaan wonen. Vele Roma’s vertelden me dat het voor hen beter was ten tijde van het communisme. Ze hadden toen ten minste werk. Het kapitalisme bracht ook met zich mee dat zij nog meer uit de boot gingen vallen. Velen hadden geen papieren van hun huis en verloren hun woonst dan ook. Met Europees geld werden er grote flats in de stad Presov en Kosice opgericht. Ik was te gast in Thelna, Potradkom en Lunik 9. Als ratten op elkaar in een hok, moeten mensen daar samen leven. In plaats van kleine huizen op het platte land of rond de stad te bouwen, neen flats ‘voor Roma’s alleen’. Getto’s met enkele uren per dag stromend water, of zonder stromend water. Gelukkig mocht ik zelf verblijven bij Roma’s op het platteland, in deze getto’s zou ik het geen twaalf dagen uitgehouden hebben. Alles rondom ons ademt racisme uit, in alles merk je dat Roma’s gediscrimineerd worden, echt in alles. Ik heb twaalf dagen geleefd in een atmosfeer van uitsluiting en werd elke minuut geconfronteerd met de gevolgen van deze uitsluiting, een mensonwaardige toestand. Racisme en verzuring ook binnen en in de kerk zichtbaar Ik was te gast zowel binnen de Russisch–Orthodoxe Kerk als in de Katholieke Kerk en dit als een Roma. Ik mocht ervaren in beide kerken dat Romamensen tijdens de vieringen niet binnen mochten. Zij stonden buiten de viering te volgen, zelfs indien er nog plaats was binnen. Ik mocht een doopplechtigheid van twee Romakinderen bijwonen. Deze vond plaats na een officiële viering op zondag. Wij mochten pas binnen, als alle blanke mensen buiten waren. Ik had een gesprek met een Romaman die enige jaren geleden in Gent verbleef. Zijn Nederlands was nog steeds goed. Hij vertelde me heel fier dat hij in Gent lector was geweest. De pastoor in Gent had hem gevraagd om elke zondag een stukje voor te lezen tijdens de viering. Er waren namelijk verschillende Roma mensen aanwezig tijdens die vieringen. Ik vroeg hem waarom hij nu in Slowakije niet meer naar de kerk ging. Hij vertelde me dat hij niet meer welkom was omdat hij Roma was. Buiten staan kon hij niet meer omdat hij wist dat het in de katholieke kerk in België anders was. Ik bezocht samen met hem de kathedraal in Presov, één uur lang zaten we stil naast elkaar. Niemand kwam ons storen, omdat ik erbij was. Met tranen in de ogen bedankte hij me omdat hij de kans kreeg om te bidden in deze mooie religieuze ruimte. Het huis van God is een huis voor iedereen, ook voor de Roma’s. Indien dit niet zo is, voel ik er me ook niet thuis. Op Pasen stond ik dus samen met alle Roma’s buiten, letterlijk buiten. Om vier uur ’s morgens werd de voeding gezegend. Voor iedereen buiten, ook voor de blanke Slowaken. Het enige verschil, deze blanken mochten na het zegenen terug in de kerk. De Roma’s en ik bleven buiten staan. 2000 jaar geleden was er ook geen plaats in de herberg, 200 jaar geleden zaten de mentaal gehandicapten in de kerkers van het Gerard Duivelsteen in Gent, vandaag 2007 staan de Roma’s letterlijk op straat in gans Europa en zeker in Slowakije. Dit heeft Hij zeker niet gewild. De enige woorden die de plaatselijke priester tegen mij uitsprak: “Jij moet wel een beetje gek zijn om tussen die Roma’s te willen leven”. Ik heb hem geantwoord dat zijn baas hier boven 2000 jaar geleden ook op stap ging met de Samaritanen. Hij zweeg eerst en plotseling sprak hij geen Engels meer, enkel Slowaaks. Ongeschoold zijn, niet opgeleid zijn, verstoten zijn, ook op gelovig en kerkelijk vlak. De grote meerderheid van de Roma’s in Oost – Slowakije, noemen zichzelf katholiek. Maar naar de kerk gaan is voor hen een zaak van blanken, of voor Romavrouwen buiten. Pasen is voor hen het feest van het zegenen van het voedsel. Jezus die verrezen is, daar weten ze niets van. Ik mocht echt wel ervaren dat geloof voor hen echt bijgeloof is. Vreemde praktijken. Volksdevotie die meer leek op magie. Bij gebrek aan geld voor medicatie, bepaalde gebeden en drinken van gezegend water. Maar het houdt hen recht in de verschrikkelijke toestanden waar ze als Roma mensen moeten in overleven. Inteelt Gastvrijheid en delen in elkaar lot… Wat ik niet op voorhand wist, is dat ik de eerste blanke was die verbleef in het dorp Varhanovce. Ik had het gevoel dat ik 1300 ‘bodygards’ rondom mij had. Niemand zou mij iets kwaad aangedaan hebben, omdat ik één van hen was, omdat ik bij hen verbleef. Mensen kwamen van heinde en verre om te kijken of het waar was dat een ‘gazo’ of blanke in de kolonie verbleef. Mensen deden er alles aan om over mijn handen te kunnen wrijven. Alsof men dacht dat het bruin er af was. Zij moesten het met eigen ogen zien. Wat ik ook niet wist, is dat in de maanden die vooraf gingen aan mijn bezoek, het enige toilet en een primitieve douche gebouwd werd in de kolonie, speciaal omdat ik kwam. En gelukkig maar, want ik mocht het leven in de kolonie als hard ervaren, in een kamer slapen met tientallen mensen bracht met zich mee dat ik nooit meer dan één uur na elkaar doorsliep, 12 dagen leven zonder een echte badkamer was niet vanzelfsprekend, leven zonder enige vorm van privé, voortdurend leven met de gevolgen van het ingeworteld racisme was zwaar, meegenomen worden in een leven vol intriges, nijd, jaloezie, overleven, egocentrisch gedrag. Met andere woorden een leven op een berg van stoelgang, afval tussen enorm veel mentaal geretardeerde mensen. Met hen op pad gaan, één van hen worden, was niet vanzelfsprekend. Vanuit mijn persoonlijkheid zou ik luid protesteren en niet aanvaarden. Maar om één van hen te zijn, hun lot te delen, moest ook ik ondergaan. Het moeilijkste was echter niet het ontbreken van enige comfort of hygiëne maar het passief ondergaan van het racisme rond ons. Ik mocht anderzijds de gastvrijheid naar mij als persoon ervaren als iets prachtig. Omdat ik één van hen was zouden ze hun beetje voedsel aan mij geschonken hebben. Ik werd overal gerespecteerd en niet als een ‘gazo’ of blanke, maar als een mens, als één van hen. Ik mocht aan de levende lijve ondervinden wat het betekent om mens onder de mensen te zijn. Met grote waardering kan ik over de Roma’s spreken. Ondanks het feit dat ze door het racisme van generaties lang en door hun armoede moeilijke mensen kunnen zijn, mensen die niet altijd redelijk redeneren, mensen die zich moeilijk kunnen integreren. Ik mag dagelijks in Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor ervaren dat Roma vluchtelingen niet altijd de makkelijkste zijn. Dit mocht ik ook in Slowakije zelf ervaren. Maar het doet me ook dagelijks denken aan de woorden van Vincentius de Paul : “De armen zijn onze meesters en het zijn niet altijd de makkelijkste.” Graag voeg ik hier volgend getuigenis aan toe, een getuigenis dat weergeeft hoe het er in onze ‘thuis’ in Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor aan toegaat. Je hebt ze gezienHet laat je niet meer losMet deze woorden van Vincentius, onze patroonheilige, wil ik het volgende getuigenis beginnen. Maandagavond, 14 februari 2005, 17u30. Een drukke dag in Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor zit er bijna op. Vandaag waren er 55 mensen aanwezig, plaats te kort. Eenzame mensen, dakloze mensen, thuisloze mensen, kansarme mensen en vluchtelingen voelden zich thuis in ons huis. Ons huisje is mooi gepoetst en klaargemaakt voor de volgende werkdag als onze telefoon rinkelt. Het is Carla van de werkgroep vluchtelingen. Werner, hebben jullie nog plaats in Tabor? Een Slowaaks gezin met twee kleine kinderen zwerft door de straten in Gent. Ze zijn uitgeprocedeerd en hebben geen geld om terug te keren naar hun land. Ik bedenk dat ik nog een kamer heb voor één persoon en voeg er aan toe: “Laat ze maar komen. We zien wel.” Tien minuten later rinkelt de bel van onze deur. Ik ga naar buiten en zie een hoopje ellende uit de auto strompelen. Het regent en het is koud. Uitgemergeld, vuil, stinkend, uitgehongerd en doorweekt. Een kindje, Anna, bijna vier jaar bukt zich en schept water uit een plas naast de auto en drinkt het water op. Derde wereld toestanden in onze stad Gent. De ellende van deze mensen werd omgezet in een geur die niet onder woorden te brengen is. Onze sanitaire blok werd onmiddellijk getekend door de geur van de armoede. De panische angst staat te lezen in de ogen van deze mensen. Gelukkig was er een Roma tolk in de buurt. Geen tien keer, maar twintig keer: “Je gaat ons toch niet op straat zetten. We mogen toch blijven. Het is zo koud. Onze kindjes gaan dood buiten.” Tranen van vreugde telkens als ik zeg: We gaan je niet op straat zetten. Mensen, Gent is mooi, maar het kan toch niet zijn dat mensen bijna letterlijk sterven in onze straten. Ondertussen een telefoontje naar huis: “Bel de tandarts maar af, ik moet nog even in Huize Triest- Gemeenschapshuis Tabor blijven, ze hebben me hier meer dan nodig.” Na het douchen, een maaltijd. Ik wist niet wat ik zag. Ik moest denken aan de concentratiekampverhalen. Mensen die na de bevrijding stierven van teveel te eten. Al wat eetbaar was en in hun buurt stond aten ze op. De suikerpot bij de koffie werd volledig door de kindjes leeggemaakt en opgegeten. Na de maaltijd werd er voor een tweede maal een bad genomen en dan het bed in. Van oververmoeidheid in een diepe slaap voor 24 uur. Kleding werd vervangen, wassen was niet meer mogelijk. Enige jaren geleden verbleef ik tussen de straatkinderen in Salvador da Bahia Brazilië. Nu beleef ik dezelfde ellende in Gent - België! Hoe is dit mogelijk? Dit onrecht moet aangeklaagd worden! Ogen moeten open gaan. Wij zorgen als maatschappij beter voor onze dieren. Het gaat hier toch om medemensen, kinderen van God. Telefoontjes naar officiële diensten, zelfs naar de administratie rond de burgemeester van Gent. Telkens hetzelfde antwoord. Het officieel, wettelijk kader laat ons niet toe. Deze mensen hebben niet de juiste papieren. Illegalen, daar trekken wij ons niets van aan. Inderdaad het officieel, wettelijk kader laat hen niet toe om mensen te helpen, maar wat met het menselijk kader. Gaan we mensen laten sterven in onze straten? Laten we toe dat kinderen moeten drinken uit plassen in onze straten? We kunnen kinderen hun primaire behoeften niet weigeren! Hoe zit het met de mensenrechten, kinderrechten? De wet is er in functie van de mens en niet omgekeerd. Wetten moeten dienen om mensen te beschermen, niet om mensen te laten verhongeren. Ondervoeding, uitgemergeld, panische angst, doodsangst. Dit weiger ik te aanvaarden! Dit laat me niet los! Dit moet aangeklaagd worden. Ja, ik heb ze gezien, ik heb de echte armen gezien (in Gent) en ze zullen mij nooit meer los laten.
Ja, ik heb ze gezien in Gent en nu ook in Oost–Slowakije. Ze zullen me inderdaad nooit meer los laten. Ik heb ze gezien en was één van hen. Ik heb ze leren begrijpen, ik heb leren inzien waarom ze kiezen voor een leven in onze straten, leren begrijpen waarom ze passief alles ondergaan, maar ik weiger het te aanvaarden. Ik zal het blijven uitschreeuwen in hun naam, ik zal stem blijven zijn voor hen. Ook al beschouwen zij mij als één van hen, ik zal het nooit ten volle zijn, want ik zal blijven protesteren en hopen dat hun situatie ooit menselijker word. Menselijker in Slowakije, maar ook menselijker in onze stad Gent. Huize Triest – Gemeenschapshuis Tabor is een thuis voor hen die er één missen, dus ook duidelijk voor Romamensen op de vlucht. Zij mogen waarlijk bij ons thuis komen. Wij zijn het onze spiritualiteit en onze stichter Petrus-Jozef Triest verplicht. Eens je in de ogen van vluchtelingen kinderen de panische angst gezien hebt, vergeet je het nooit, blijft het knagen en aanvaard je geen enkele vorm van racisme meer. Ik heb soms de indruk dat ik 24 uur per dag vecht tegen vooroordelen, tegen racisme, tegen uitsluiting. Na drie jaar werken met Roma’s had ik verwacht dat het een keiharde ervaring zou worden, maar dat het zo extreem zou zijn, dat had ik echt niet verwacht. Vele jaren geleden verbleef ik tussen de straatkinderen op de vuilnisvelden in Brazilië, een derde wereld land. Nu verbleef ik tussen de Roma’s op de vuilnisvelden in Slowakije – Europa. Het is beide mensonwaardig, maar de vuilnisvelden in Slowakije heb ik als extremer ervaren. Dit is ons verhaal, ons reisverhaal, een verhaal dat wij zullen blijven uitschreeuwen in de hoop en het diepe geloof dat de situatie van de Romamensen beter moet worden. We staan onderaan de berg en gaan samen met hen de berg op. Het kan en moet beter worden. Een waarlijk Tabor–gebeuren. We zijn het hun verplicht. Laten we broers en zussen zijn van elkaar, dan kunnen we thuis komen bij elkaar, mens onder de mensen zijn.
April 2007, Werner Van de Weghe
|
||||||||